VOORBIJ Meester Peter kijkt terug naar lang vervlogen tijden in het onderwijs

In ‘Voorbij’ plaats ik regelmatig korte verhalen uit ogenschijnlijk lang vervlogen tijden. Een terugblik op ruim 50 jaar onderwijs. ‘Meester Peter’ kijkt terug op zijn kinderjaren als leerling, als student. Natuurlijk worden de ervaringen als onderwijzer en directeur in ‘Voorbij’ niet vergeten. Voor meer informatie over ‘Meester Peter’ verwijs ik graag naar Colofon.

50 jaar onderwijs in Voorbij


Schoolkamp naar Tecklenburg

Het was in het voorjaar van 1964. Ik zat toen in de tweede klas van de Jan van Nassau Mulo te Hengelo.
In mei van dat jaar gingen we op schoolkamp naar Tecklenburg. Vijf dagen West-Duitsland. Geweldig. Maar wel op de fiets.

Die maandagmorgen vertrokken we, 85 leerlingen, bepakt en bezakt. Voor het eerst had ik Duitse Marken in mijn portemonnee.
Een lange colonne vertrok met een tiental leraren richting Oldenzaal.
Het was een pittige tocht. Vanaf Oldenzaal ging het heuvelop richting Rheine. In zo’n lange sliert is het goed sturen en oppassen. Vooral letten op je voorgangers. Gelukkig kwamen we zonder kleerscheuren, maar dodelijk vermoeid aan in Tecklenburg.
De oude jeugdherberg, waaraan nog niet veel aan verbeterd was sinds 1945, zag er somber uit. Niet uitnodigend voor een stel pubers in de bloei van hun leven.

“Aufstehen! Dalli, dalli!

We werden verwelkomd door de Duitse jeugdherbergvader. Hij sprak ons streng in het Duits toe. Kort gezegd kwam tecklenburg het er op neer, dat er niets mocht: niet hollen, niet schreeuwen, om tien uur ’s avonds ging het licht uit en om zeven uur ’s morgens werden we gewekt.

Hongerig zaten we die avond aan lange tafels, die zo uit een kazerne leken te komen. Grote pannen met gekookte aardappels, bockworst en witte kool werden opgediend. Gelukkig had mijn moeder me van alles toegestopt, zodat ik weinig at. In bed stilde ik mijn honger met enkele repen chocola.
De volgende morgen klonk door de gangen een keihard trompet reveil. De jeugdherbergvader schreeuwde: “Aufstehen! Dalli, dalli!
Snel wasten we ons en gingen aan tafel.
Grote stapels goor grijs brood keken ons droevig aan. De meesten hadden opeens geen honger meer.

Direct na het ontbijt ging ik met een paar vrienden het stadje in. Bij een plaatselijke Konditorei kochten we heerlijke Kaiserbrötchen. Een deel aten we zittend op een muurtje van het kasteel op. De rest bewaarden we voor de lunch. Dit werd een ritueel voor de komende dagen.
Van de jeugdherbergmaaltijden hebben we die dagen niet veel gegeten. Er bleek ook goede patat te koop te zijn in Tecklenburg.

Gelukkig vlogen de vijf dagen om. We mochten weer naar huis. De 85 kilometer naar Hengelo ging in een no-time. Heuvelaf en lekker naar huis. Wat genoten we die avond weer van ons eigen eten en ons eigen bed. En geen geschreeuw en getoeter van een gestresste jeugdherbergvader.


De eerste klap is ’n daalder waard

Het was in de vierde klas van de lagere school.
Het gebeurde zomaar, opeens.
Ik had daar al veel langer last van. Ik was altijd al druk en beweeglijk. Stil zitten was moeilijk. Laat staan een hele poos. In de kerk moest ik altijd naast m’n vader zitten. Hij hield me streng in de gaten. Ik zat liever naast mijn moeder. Die gaf me pepermuntjes.

Meester Elzinga, een strenge magere onderwijzer, stond autoritair les te geven. Bijna alle kinderen waren bang voor hem. Weinigen durfden wat uit te halen. Behalve Gerrit, een jongen uit een achterbuurt, zoals we dat vroeger zeiden. Die was voor niemand bang.

Ik was soms bang voor die lange Friese meester. Maar vandaag niet.
De hele klas zat druk over het rekenwerk gebogen. De kroontjespennen krasten over het papier van de schriftjes.
Sommigen schreven met het puntje van de 50 jaar onderwijstong tussen de tanden. Ze deden hun uiterste best. Schreef je slordig, dan mocht je alles overmaken van meester Elzinga.

‘Ferry?’ sprak Elzinga met een harde stem naar mijn buurman.
‘Wat ben je weer aan het knoeien. Je denkt zeker dat je nog in de rimboe zit. Overmaken. Alles!’ schreeuwde Elzinga. En hij scheurde zomaar twee bladzijden uit het schrift.
Ferry keek beduusd. Een traan welde op achter zijn ogen.
Ferry was een Moluks vriendje van mij. Sinds enkele maanden waren ze in ons land.

‘U bent zelf een aap’, zei ik boos tegen meester Elzinga. Want tegen onrecht kon ik toen al niet.
Zomaar vanuit het niets kletste een grote hand rechts tegen mijn hoofd. En toen nog één.
‘Brutaal rot joch, nablijven de hele week!’ schreeuwde meester Elzinga en hij beende naar zijn lessenaar.

Het was muisstil in de klas. Niemand durfde nog wat te doen. Zelfs Gerrit niet. Ik deed niets meer en ging demonstratief met de armen over elkaar zitten.
‘Rot kerel’, dacht ik. Maar ik huilde niet. Mijn oren suisden nog na.
Ferry keek me dankbaar aan. Zonder woorden begrepen we elkaar.
Meester Elzinga had het nu helemaal verbruid.
Zo begon ik mijn verzet tegen tirannie en gezag gebaseerd op niets.

Het jaar daarop was meester Elzinga niet meer op onze school. Hij was vertrokken naar Friesland. Het was een onderwijzer zonder liefde, zonder hart. En als er één ding niet werkt in een klas, dan is dat dat wel!


Op de schoolfoto

Het fotograferen zat bij ons in de genen. Mijn vader fotografeerde graag en heel veel. Het was voor mij geen vreemd gebeuren, dat er op een dag een schoolfotograaf op de Dr. A. Kuyperschool kwam.
Het hoofd was een dag eerder alle klassen rond geweest om dit te vertellen.
“Zorg dat je haar gekamd is en dat je nette kleren aan hebt”, zo sprak hij  streng. Daar konden we het mee doen. Geen briefje voor het thuisfront.

De volgende dag waren we zenuwachtig. Zouden onze haren netjes genoeg zijn? Hadden we ons wel netjes gekleed?
We twijfelden, want je wilt toch niet voor aap staan?
Om de beurt mocht een klas naar de gang. Bij de deur van het kamertje van het hoofd wachtten we in een lange rij.
Dat was al bijzonder op zich. Daar kwam je alleen, als je straf had, of als de schoolarts kwam.

Eén voor één mocht een leerling naar binnen. Daar zat een strenge man met weinig pedagogische kwaliteiten. Met een reusachtig fototoestel maakte hij foto’s van elke leerling.
Eindelijk was ik aan de beurt.
“Ga daar maar zitten en kijk me recht aan”, beval hij.
Ik nam plaats achter een leerlingentafel en keek de man verlegen aan.
“Pak dat boek met je rechterhand vast en lach een beetje”, vervolgde hij.
Ik hoopte, dat ik het goed deed en keek hem aan.
“Zo, lach maar eens naar het vogeltje”, klonk z’n stem.
Een verlegen lachje kwam op mijn gezicht.
Hopelijk zag hij niet, dat ik wat scheel keek.
“Klaar! De volgende kan!” riep hij.

Dat was het dus. Snel liep ik naar mijn klas. Juf Drenthe nipte aan haar kopje thee. De kinderen, die bij de fotograaf geweest waren, mochten tekenen.
Eindelijk was onze hele klas geweest.
Juf Drenthe ging weer verder met de lessen. Aan de fotograaf werden geen woorden verder vuil gemaakt.

2016-03-06 12.38.01Een maand later bracht het schoolhoofd een bruine enveloppe met onze foto’s. Vol spanning keken we uit naar dit bijzondere moment.
“Hier Peter, eindelijk een moment, dat je stil zit”, zei ze en stak mij mijn schoolfoto toe.
Ik bekeek de foto en zag dat het goed was.

Ondanks de fotograaf stond ik er goed op.
Trots nam ik om twaalf uur de foto’s mee naar huis.
Mijn moeder was blij verrast. Ze zette de grootste foto op de schoorsteenmantel. Nu kon iedereen mijn foto bewonderen.


 

P.s.:In 50 jaar onderwijs: eigen ervaringen en belevenissen, die het nodige bij me te weeg gebracht hebben.

Peter van Heiningen ©

Share Button
Print Friendly